Kerkdiensten

te Zwolle

Zondag 17 december 2017
10.00 - Br. R.B. Sikkens
16.30 - Ds. S. de Marie - H.C. Zondag 10
1e collecte: Kerk
2e collecte: Steun hulpbehoevende studenten
Meer kerkdiensten


Locatie

Kerkgebouw
"De Hoeksteen"
Scheldelaan 141
8032 PB Zwolle
Bekijk kaart

Heidelbergse Catechismus

Onderwijs in de christelijke leer

zondag 1-10 - zondag 11-20 - zondag 21-30 - zondag 31-40 - zondag 41-52



Zondagen 1-10
zondag 1, zondag 2, zondag 3, zondag 4, zondag 5, zondag 6, zondag 7, zondag 8, zondag 9, zondag 10

Zondag 1

Vraag 1: Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven1, het eigendom ben, niet van mijzelf2, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus3. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald4 en mij uit alle macht van de duivel verlost5.
Hij bewaart mij zo6, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen7, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil8.
Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven9 en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven10.
1 Rom. 14:8; 1Tes. 5:9, 10. 2 1Kor. 6:19, 20. 3 1Kor. 3:23; Tit. 2:14. 4 1Pet. 1:18, 19; 1Joh. 1:7; 1Joh. 2:2, 12. 5 Joh. 8:34-36; Heb. 2:14, 15; 1Joh. 3:8. 6 Joh. 6:39; 10:27-30; 2Tes. 3:3; 1Pet. 1:5. 7 Mat. 10:29, 30; Luc. 21:18. 8 Rom. 8:28. 9 Rom 8:16; 2Kor. 1:22; 5:5; Ef. 1:13, 14. 10 Rom. 8:14; 1Joh. 3:3.

Vraag 2: Wat moet u weten om door deze troost gelukkig te leven en te sterven?
Antwoord:
Ten eerste hoe groot mijn zonden en ellende zijn1.
Ten tweede hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word2.
Ten derde hoe ik God voor zo’n verlossing dankbaar moet zijn3.
1 Mat. 9:12; Joh. 9:41; Rom 3:10; 1Joh. 1:9, 10. 2 Luc. 24:46, 47; Joh. 17:3; Hand. 4:12; 10:43; 1Kor. 6:11; Tit. 3:3-7. 3 Ps. 50:14, 15; 116:12, 13; Mat. 5:16; Rom. 6:12, 13; Ef. 5:10; 2Tim. 2:15; 1Pet. 2:9, 12. Zie voorts Mat. 11:28-30; Ef. 5:8. 


HET EERSTE DEEL
Onze ellende

Zondag 2

Vraag 3: Waaruit kent u uw ellende?
Antwoord: Uit de wet van God1.
1 Rom. 3:20.

Vraag 4: Wat eist God in zijn wet van ons?
Antwoord:
Dat leert Christus ons in een samenvatting, Matteüs 22:37-40:
Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.
Dit is het grote en eerste gebod.
Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten1.
1 Deut. 6:5; Lev. 19:18; Mar. 12:30, 31; Luc. 10:27.

Vraag 5: Kunt u dit alles volbrengen?
Antwoord: Nee1, want naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten2.
1 Rom. 3:10, 20, 23; 1Joh. 1:8, 10. 2 Gen. 6:5; 8:21; Jer. 17:9; Rom. 7:23; 8:7; Ef. 2:3; Tit. 3:3.


Zondag 3

Vraag 6: Heeft God de mens dan zo slecht en verkeerd geschapen?
Antwoord: Nee, God heeft de mens goed1 en naar zijn beeld geschapen2, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen3.
1 Gen. 1:31. 2 Gen. 1:26, 27. 3 Ef. 4:24; 2Kor. 3:18; Kol. 3:10.

Vraag 7: Waaruit komt deze verdorven aard van de mens dan voort?
Antwoord: Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs1; want daar werd onze natuur zo verdorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden2.
1 Gen. 3; Rom. 5:12, 18, 19. 2 Ps. 51:7; Joh. 3:6.

Vraag 8: Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad?
Antwoord: Ja1, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden2.
1 Gen. 6:5; 8:21; Job 14:4; 15:14, 16, 35; Jes. 53:6. 2 Joh. 3:3, 5; 1Kor. 12:3; 2Kor. 3:5.


Zondag 4

Vraag 9: Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?
Antwoord: Nee, want God heeft de mens zo geschapen, dat hij dit kon doen1. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd2.
1 Gen. 1:27; Ef. 4:24. 2 Gen. 3:4-6; Rom. 5:12; 1Tim 2:13, 14.

Vraag 10: Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
Antwoord: Beslist niet, maar God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de zonden die wij doen.
Hij wil die dan ook door een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid straffen1, want Hij heeft gezegd: Vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen, Galaten 3:102.
1 Gen. 2:17; Ex. 20:5; Ex. 34:7; Ps. 5:6; Nah. 1:2; Rom. 1:18; 5:12; Ef. 5:6; Heb. 9:27. 2 Deut. 27:26.

Vraag 11: Maar God is toch ook barmhartig?
Antwoord:
God is wel barmhartig1, maar Hij is ook rechtvaardig2.
Daarom eist zijn gerechtigheid dat de zonde, die tegen de allerhoogste majesteit van God begaan is, ook met de zwaarste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt3.
1 Ex. 20:6; 34:6, 7. 2 Ex. 20:5; 23:7; 34:7; Ps. 7:10; 3 Nah. 1:2, 3; 2Tes. 1:9.


HET TWEEDE DEEL
Onze verlossing

Zondag 5

Vraag 12: Hoe kunnen wij aan deze straf ontkomen en weer in genade aangenomen worden, nu wij naar Gods rechtvaardig oordeel straf in tijd en eeuwigheid verdiend hebben?
Antwoord:
God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan1. Daarom moeten wij òf zelf òf door een ander volkomen betalen2.
1 Gen. 2:17; Ex. 20:5; 23:7; Ezech. 18:4; Heb. 10:30. 2 Mat. 5:26; Rom. 8:3, 4.

Vraag 13: Maar kunnen wij zelf betalen?
Antwoord:
Op geen enkele manier. Wij maken de schuld juist elke dag groter1.
1 Job 4:18, 19; 9:2, 3; 15:16; Ps. 130:3; Mat. 6:12; 16:26; 18:25.

Vraag 14: Kan een schepsel dat alleen maar schepsel is, voor ons betalen?
Antwoord: Nee, want ten eerste wil God geen ander schepsel straffen voor de schuld die de mens gemaakt heeft1; ten tweede kan ook geen schepsel dat alleen maar schepsel is, de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen2.
1 Gen. 3:17; Ezech. 18:4. 2 Ps 130:3; Nah. 1:6.

Vraag 15: Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken?
Antwoord:
Een Middelaar die een echt1 en rechtvaardig mens2 is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is3.
1 1Kor. 15:21. 2 Heb. 7:26. 3 Jes. 7:14; 9:5; Jer. 23:6; Luc. 11:22; Rom. 8:3, 4.


Zondag 6

Vraag 16: Waarom moet de Middelaar een echt en rechtvaardig mens zijn?
Antwoord:
Omdat Gods gerechtigheid eist, dat de menselijke natuur, die gezondigd heeft, ook voor de zonde betaalt1, en omdat een mens die zelf zondaar is, niet voor anderen kan betalen2.
1 Jes. 53:3-5; Jer. 33:15; Ezech. 18:4, 20; Rom. 5:12-15; 1Kor. 15:21; Heb. 2:14-16. 2 Ps. 49:8; Heb. 7:26, 27; 1Pet. 3:18.

Vraag 17: Waarom moet de Middelaar tegelijk echt God zijn?
Antwoord:
Om uit kracht van zijn godheid1 de last van Gods toorn2 aan zijn menselijke natuur te kunnen dragen3, en ons de gerechtigheid en het leven te kunnen verwerven en teruggeven4.
1 Jes. 9:5; Rom. 1:4; Heb. 1:3. 2 Deut. 4:24; Nah. 1:6; Ps. 130:3. 3 Jes. 53:4, 11. 4 Jes. 53:5, 11; Jes. 54:8; Joh. 3:16; Hand. 20:28; 1Pet. 3:18.

Vraag 18: Wie is dan deze Middelaar, die echt God1 en tegelijk een echt2 en rechtvaardig mens is3?
Antwoord:
Onze Here Jezus Christus4, die ons door God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing5.
1 Jer. 23:6; Mal. 3:1; Rom. 8:3; Gal. 4:4; 1Joh. 5:20. 2 Luc. 1:42; 2:6, 7; Rom. 1:3; Fil. 2:7; Heb. 2:14, 17; 4:15. 3 Jes. 53:9, 11; Jer. 23:5; Luc. 1:35; Joh. 8:46; Heb. 4:15; 7:26; 1Pet. 1:19; 2:22; 3:18. 4 Mat. 1:23; Luc. 2:11; Joh. 1:1, 14; 14:6; Rom. 9:5; 1Tim. 2:5; 3:16; Heb. 2:9. 5 1Kor. 1:30; 2Kor. 5:21.

Vraag 19: Waaruit weet u dat?
Antwoord:
Uit het heilig evangelie. God heeft dat eerst zelf in het paradijs geopenbaard1. Daarna heeft Hij het door de heilige aartsvaders2 en profeten laten verkondigen3.
Ook heeft Hij dat evangelie van tevoren laten afbeelden door de offers en andere schaduwachtige gebruiken die Hij in de wet had voorgeschreven4.
Tenslotte heeft Hij het door zijn eniggeboren Zoon vervuld5.
1 Gen. 3:15. 2 Gen. 12:3; 22:18; 26:4; 49:10. 3 Jes. 42:1-4; 43:25; 49:6; 53; Jer. 23:5, 6; 31:32, 33; Micha 7:18-20; Joh. 5:46; Hand. 3:22-24; 10:43; Rom. 1:2; Heb. 1:1. 4 Kol. 2:17; Heb. 10:1, 7. 5 Rom. 10:4; Gal. 3:24; 4:4, 5; Kol. 2:17.


Zondag 7


Vraag 20: Krijgen dan alle mensen door Christus het heil terug, zoals zij in Adam veroordeeld zijn?
Antwoord:
Nee1, maar alleen zij die door waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen2.
1 Mat. 7:14; 22:14. 2 Ps. 2:12; Mar. 16:16; Joh. 1:12, 13; 3:16, 18, 36; Rom. 3:22; 11:20; Heb. 4:2, 3; 5:9; 10:39; 11:6.

Vraag 21: Wat is waar geloof?
Antwoord:
Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft1.
Tegelijk is het een vast vertrouwen2, dat de Heilige Geest3 door het evangelie in mijn hart werkt4, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil5 door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus6.
1 Rom. 4:20, 21; Heb. 11:1, 3; Jak. 1:6. 2 Ps. 9:11; Rom. 4:16-21; 5:1; 10:10; Ef. 3:12; Heb. 4:16. 3 Mat. 16:17; Joh. 3:5; 6:29; Hand. 16:14; 2Kor. 4:13; Ef. 2:8; Fil. 1:29. 4 Mar. 16:15; Hand. 10:44; 16:14; Rom. 1:16; 10:17; 1Kor. 1:21. 5 Hab. 2:4; Hand. 10:43; Rom. 1:17; Gal. 3:11; Heb. 10:10, 38. 6 Luc. 1:77, 78; Joh. 20:31; Hand. 10:43; Rom. 3:24; 5:19; Gal. 2:16.

Vraag 22: Wat moet een christen geloven?
Antwoord:
Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt.
Daarvan geven de artikelen van ons algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof een samenvatting1.
1 Mat. 28:19; Mar. 1:15; Joh. 20:31.

APOSTOLISCHE GELOOFSBELIJDENIS
Vraag 23: Hoe luiden die artikelen?
Antwoord:
I 1 Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde.
II 2 En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here;
3 die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
4 die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven, en begraven, neergedaald in de hel;
5 op de derde dag opgestaan uit de doden;
6 opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God de Almachtige Vader;
7 vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
III 8 Ik geloof in de Heilige Geest.
9 Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen;
10 vergeving van de zonden;
11 opstanding van het vlees;
12 en een eeuwig leven.


Zondag 8

Vraag 24: Hoe worden deze artikelen ingedeeld?
Antwoord:
In drie delen.
Het eerste gaat over God de Vader en onze schepping;
het tweede over God de Zoon en onze verlossing;
het derde over God de Heilige Geest en onze heiliging.

Vraag 25: Waarom noemt u drie Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, terwijl er toch maar één God is1?
Antwoord:
Omdat God Zich zo in zijn Woord geopenbaard heeft: deze drie onderscheiden Personen zijn de ene, ware en eeuwige God2.
1 Deut. 6:4; Jes. 44:6; 45:5; 1Kor. 8:4, 6; Ef. 4:5, 6. 2 Gen. 1:2, 3; Jes. 61:1; Mat. 3:16, 17; 28:19; Luc. 1:35; 4:18; Joh. 14:26; 15:26; Hand. 2:32, 33; 2Kor. 13:13; Gal. 4:6; Ef. 2:18; Tit. 3:4-6.

GOD DE VADER EN ONZE SCHEPPING

Zondag 9

Vraag 26:
Wat gelooft u, wanneer u zegt: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde?
Antwoord:
Dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft1 en ze nog door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en regeert2, om zijn Zoon Jezus Christus mijn God en mijn Vader is3.
Daarom vertrouw ik zo op Hem, da t ik er niet aan twijfel, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb4, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede5. Want Hij kan dit doen als een almachtig God6 en wil het ook doen als een trouw Vader7.
1 Gen. 1:1; 2:3; Ex. 20:11; Job 33:4; 38:4-11; Ps. 33:6; Jes. 40:26; Hand. 4:24; 14:15. 2 Ps. 104:2-5, 27-30; Ps. 115:3; Mat. 10:29, 30; Rom. 11:36; Ef. 1:11. 3 Joh. 1:12; Rom 8:15; Gal. 4:5-7; Ef. 1:5. 4 Ps. 55:23; Mat. 6:25, 26; Luc. 12:22-24. 5 Rom. 8:28. 6 Rom. 8:37-39; 10:12; Opb. 1:8. 7 Mat. 6:32, 33; 7:9-11.


Zondag 10

Vraag 27:
Wat verstaat u onder Gods voorzienigheid?
Antwoord:
De almachtige en tegenwoordige kracht van God1, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert2, dat loof en gras, regen en droogte3, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen4, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen5.
1 Ps. 94:9, 10; Jes. 29:15, 16; Jer. 23:23, 24; Ezech. 8:12; Mat. 17:27; Hand. 17:25-28. 2 Hebr. 1:3. 3 Jer. 5:24; Hand. 14:17. 4 Spr. 22:2; Joh. 9:3. 5 Spr. 16:33; Mat. 10:29.

Vraag 28:
Waarom is het voor ons belangrijk te weten dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid in stand houdt?
Antwoord:
Om in alle tegenspoed geduldig1, in voorspoed dankbaar te zijn2 en voor de toekomst dit vaste vertrouwen te hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal3. Want alle schepselen zijn zo in zijn hand, dat zij zich tegen zijn wil niet roeren of bewegen kunnen4.
1 Job 1:21, 22; Ps. 39:10; Rom. 5:3, 4; Jak. 1:3. 2 Deut. 8:10; 1Tes. 5:18. 3 Ps. 55:23; Rom. 5:4, 5; 8:38, 39. 4 Job 1:12; 2:6; Spr. 21:1; Hand. 17:25-28.

zondag 1-10 - zondag 11-20 - zondag 21-30 - zondag 31-40 - zondag 41-52


naar boven naar boven