Kerkdiensten

te Zwolle

Zondag 22 oktober 2017
10.00 - Br. J. Horst - H.C. Zondag 3
16.30 - Ds. E. Heres
1e collecte: Kerk
2e collecte: Opleiding Dienst des Woords
Meer kerkdiensten


Locatie

Kerkgebouw
"De Hoeksteen"
Scheldelaan 141
8032 PB Zwolle
Bekijk kaart

Heidelbergse Catechismus

Onderwijs in de christelijke leer

zondag 1-10 - zondag 11-20 - zondag 21-30 - zondag 31-40 - zondag 41-52

 

 



Zondagen 11-20
zondag 11, zondag 12, zondag 13, zondag 14, zondag 15, zondag 16, zondag 17, zondag 18, zondag 19, zondag 20

GOD DE ZOON EN ONZE VERLOSSING

Zondag 11

Vraag 29:
Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Verlosser, genoemd?
Antwoord: Omdat Hij ons verlost van al onze zonden1, en omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is2.
1 Mat. 1:21; Hebr 7:25. 2 Jes. 43:11; Joh. 15:4, 5; Hand. 4:11, 12; 1Tim. 2:5; 1Joh. 5:11, 12.
Vraag 30: Geloven zij dan wel in de enige Verlosser Jezus, die hun behoud en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf of ergens anders zoeken?
Antwoord: Nee, maar zij verloochenen met de daad de enige Verlosser Jezus, ook al roemen zij met de mond in Hem1.
Want één van beide: òf Jezus is geen volkomen Verlosser, òf zij die deze Verlosser met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben wat voor hun behoud nodig is2.
1 1Kor. 1:13, 30, 31; Gal. 5:4. 2 Jes. 9:6; Joh. 1:16; Kol. 1:19, 20; 2:10; Heb. 12:2; 1Joh. 1:7.


Zondag 12

Vraag 31: Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genoemd?
Antwoord: Omdat Hij door God de Vader is aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd1 tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning.
Als Profeet en Leraar heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard2.
Als Hogepriester heeft Hij ons met het enige offer van zijn lichaam verlost3 en blijft Hij met zijn voorbede steeds bij de Vader voor ons pleiten4.
Als Koning regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing5.
1 Ps. 45:8; Jes. 61:1; Luc. 4:18; Hand. 10:38; Heb. 1:9. 2 Deut. 18:15; Jes. 55:4; Mat. 11:27; Joh. 1:18; 15:15; Hand. 3:22. 3 Ps. 110:4; Heb. 7:21; 9:12, 14, 28; 10:12, 14. 4 Rom. 8:34; Heb. 7:25; 9:24; 1Joh. 2:1. 5 Ps. 2:6; Zach. 9:9; Mat. 21:5; 28:18; Luc. 1:33; Joh. 10:28; Opb. 12:10, 11.

Vraag 32: Maar waarom wordt u een christen genoemd1?
Antwoord: Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving2, om:
als profeet zijn naam te belijden3,
als priester mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren4,
en als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden5 en na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren6.
1 Hand. 11:26. 2 Jes. 59:21; Joël 2:28; Hand. 2:17; 1Kor. 6:15; 1Joh. 2:27. 3 Mat. 10:32, 33; Rom. 10:10. 4 Ex. 19:6; Rom. 12:1; 1Petr. 2:5; Opb. 1:6; 5:8, 10. 5 Rom. 6:12, 13; Gal. 5:16, 17; Ef. 6:11; 1Tim. 1:18, 19; 1Pet. 2:9, 11. 6 2Tim. 2:12; Opb. 22:5.


Zondag 13

Vraag 33: Waarom wordt Christus de eniggeboren Zoon van God genoemd? Wij zijn toch ook Gods kinderen?
Antwoord: Omdat alleen Hij de eeuwige en natuurlijke Zoon van God is1. Maar wij zijn om Christus' wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen2.
1 Joh. 1:14, 18; 3:16; Rom. 8:32; Heb. 1:1, 2; 1Joh. 4:9. 2 Joh. 1:12; Rom. 8:15-17; Gal. 4:6; Ef. 1:5, 6.

Vraag 34: Waarom noemt u Hem onze Here?
Antwoord: Omdat Hij ons met lichaam en ziel, niet met goud of zilver, maar met zijn kostbaar bloed van al onze zonden vrijgekocht en uit alle macht van de duivel verlost heeft. Zo heeft Hij ons tot zijn eigendom gemaakt1.
1 Joh. 20:28; 1Kor. 6:20; 7:23; Ef. 1:7; 1Tim. 2:6; 1Pet. 1:18, 19; 2:9.


Zondag 14

Vraag 35: Wat belijdt u met de woorden: die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria?
Antwoord: De eeuwige Zoon van God, die echt en eeuwig God is en blijft1, heeft door de werking van de Heilige Geest echte menselijke natuur aangenomen2 uit het vlees en bloed van de maagd Maria3, om het ware zaad van David te zijn4, zijn broeders in alles gelijk, maar zonder zonde5.
1 Mat. 1:23; 3:17; 16:16; 17:5; Mar. 1:11; Joh. 1:1; 17:3, 5; 20:28; Rom. 1:3, 4; 9:5; Fil. 2:6; Kol. 1:15, 16; Tit. 2:13; Heb. 1:3; 1Joh. 5:20. 2 Mat. 1:18, 20; Luc. 1:35. 3 Luc. 1:31, 42, 43; Joh. 1:14; Gal. 4:4. 4 2Sam. 7:12; Ps. 132:11; Mat. 1:1; Luc. 1:32; Hand. 2:30, 31; Rom. 1:3. 5 Fil. 2:7; Heb. 2:14, 17; 4:15; 7:26, 27.

Vraag 36: Wat is voor u de waarde van de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?
Antwoord: Zo is Hij onze Middelaar1, die met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt2.
1 Heb. 2:16-18; 7:26, 27. 2 Ps. 32:1; Jes. 53:11; Rom. 8:3, 4; 1Kor. 1:30, 31; Gal. 4:4, 5; 1Pet. 1:18, 19; 3:18.


Zondag 15

Vraag 37: Wat belijdt u met het woord: geleden?
Antwoord: Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen1.
Hij deed dit om door zijn lijden, als het enige zoenoffer2, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen3 en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven4.
1 Jes. 53:4, 12; 1Tim. 2:6; 1Pet. 2:24; 3:18. 2 Jes. 53:10; Rom. 3:25; 1Kor. 5:7; Ef. 5:2; Heb. 9:28; 10:14; 1Joh. 2:2; 4:10. 3 Gal. 3:13; Kol. 1:13; Heb. 9:12; 1Pet. 1:18, 19. 4 Joh. 3:16; 6:51; 2Kor. 5:21; Heb. 9:15; 10:19.

Vraag 38: Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?
Antwoord: Christus is onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld1, om ons te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat over ons zou komen2.
1 Mat. 27:24; Luc. 23:13-15; Joh. 18:38; 19:4, 11. 2 Jes. 53:4, 5; 2Kor. 5:21; Gal. 3:13.

Vraag 39: Heeft het een bijzondere betekenis dat Christus is gekruisigd en niet op een andere wijze is gestorven?
Antwoord: Ja, want daardoor ben ik er zeker van, dat Hij de vloek die op mij lag, op Zich geladen heeft1, omdat de kruisdood door God vervloekt was2.
1 Gal. 3:13. 2 Deut. 21:23.


Zondag 16

Vraag 40: Waarom moest Christus Zich tot in de dood vernederen?
Antwoord: Omdat vanwege Gods gerechtigheid en waarheid1 niet anders voor onze zonden betaald kon worden dan door de dood van Gods Zoon2.
1 Gen. 2:17. 2 Rom. 8:3, 4; Fil. 2:8; Heb. 2:9, 14, 15.

Vraag 41: Waarom is Christus begraven?
Antwoord: Om daardoor aan te tonen dat Hij echt gestorven was1.
1 Mat. 27:59, 60; Luc. 23:53; Joh. 19:40-42; Hand. 13:29; 1Kor. 15:3, 4.

Vraag 42: Nu Christus voor ons gestorven is, waarom moeten wij dan nog sterven?
Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden1, maar alleen een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven2.
1 Mar. 8:37. 2 Joh. 5:24; Rom. 7:24, 25; Fil. 1:23.

Vraag 43: Wat is voor ons nog meer de waarde van het offer en de dood van Christus aan het kruis?
Antwoord: Door zijn kracht wordt onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven1, opdat de slechte begeerten van het vlees in ons niet meer regeren2, maar opdat wij onszelf aan Christus offeren als een offer van dankbaarheid3.
1 Rom 6:6. 2 Rom 6:8, 11, 12. 3 Rom. 12:1.

Vraag 44: Waarom volgt er: neergedaald in de hel?
Antwoord: Daardoor mag ik er in mijn felste aanvechtingen zeker van zijn en er rijke troost uit putten, dat mijn Here Jezus Christus mij van de angst en pijn van de hel verlost heeft1.
Hij heeft deze verlossing bewerkt door zijn onuitsprekelijke angsten, smarten, verschrikking en helse kwelling, waarin Hij gedurende heel zijn lijden, maar vooral aan het kruis, verzonken was2.
1 Jes. 53:5. 2 Mat. 26:38; 27:46; Heb. 5:7.


Zondag 17

Vraag 45: Wat is voor ons de waarde van de opstanding van Christus?
Antwoord: Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen, om ons te doen delen in de gerechtigheid, die Hij door zijn dood voor ons had verworven1.
Ten tweede worden ook wij door zijn kracht nu al opgewekt tot een nieuw leven2.
Ten derde is de opstanding van Christus voor ons een onderpand van onze opstanding in heerlijkheid3.
1 Rom. 4:25; 1Kor. 15:16-18; 1Pet. 1:3. 2 Rom. 6:4; Kol. 3:1-3; Ef. 2:4-6. 3 Rom. 8:11; 1Kor. 15:20-22.


Zondag 18

Vraag 46: Wat belijdt u met de woorden: opgevaren naar de hemel?
Antwoord: Dat Christus voor de ogen van zijn discipelen van de aarde naar de hemel is opgenomen1 en daar ons ten goede is2, totdat Hij terugkomt om te oordelen de levenden en de doden3.
1 Mar. 16:19; Luc. 24:51; Hand. 1:9. 2 Rom. 8:34; Ef. 4:10; Kol. 3:1; Heb. 4:14; 7:24, 25; 9:24. 3 Mat. 24:30; Hand. 1:11.

Vraag 47: Is Christus dan niet bij ons tot aan de voleinding van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft1?
Antwoord: Christus is echt mens en echt God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde2, maar naar zijn godheid, majesteit, genade en Geest verlaat Hij ons nooit meer3.
1 Mat. 28:20. 2 Mat. 26:11; Joh. 16:28; Joh. 17:11; Hand. 3:21; Heb. 8:4. 3 Mat. 28:20; Joh. 14:16-18; 16:13; Ef. 4:8.

Vraag 48: Maar als de menselijke natuur niet overal is waar de godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkaar gescheiden?
Antwoord: Beslist niet. Want zijn godheid kan door niets ingesloten worden en is overal tegenwoordig1. Daaruit volgt dat deze godheid wel buiten haar aangenomen mensheid is2, maar toch ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.
1 Jes. 66:1; Jer. 23:23, 24; Hand. 7:49; 17:27, 28. 2 Mat. 28:6; Joh. 3:13; 11:15; Kol. 2:9.

Vraag 49: Wat is voor ons de waarde van de hemelvaart van Christus?
Antwoord: Ten eerste is Hij in de hemel voor het aangezicht van zijn Vader om voor ons te pleiten1.
Ten tweede hebben wij in Hem ons vlees in de hemel tot een onderpand, dat Hij als het Hoofd ons, zijn leden, ook tot Zich nemen zal2.
Ten derde zendt Hij ons zijn Geest als tegenpand3; door zijn kracht zoeken wij wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God, en niet wat op de aarde is4.
1 Rom. 8:34; 1Joh. 2:1. 2 Joh. 14:2, 3; Joh. 17:24; Ef. 2:6. 3 Joh. 14:16; 16:7; Hand. 2:33; 2Kor. 1:22; 5:5. 4 Fil. 3:20; Kol. 3:1.


Zondag 19

Vraag 50: Waarom wordt eraan toegevoegd: en zit aan de rechterhand van God?
Antwoord: Christus is opgevaren naar de hemel om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk1, door wie de Vader alle dingen regeert2.
1 Ef. 1:20-23; Kol. 1:18. 2 Mat. 28:18; Joh. 5:22.

Vraag 51: Wat is voor ons de waarde van deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?
Antwoord: Ten eerste giet Hij door zijn Heilige Geest in ons, zijn leden, de hemelse gaven uit1.
Ten tweede beschermt en bewaart Hij ons met zijn macht tegen alle vijanden2.
1 Hand. 2:33; Ef. 4:8, 10-12. 2 Ps. 2:9; 110:1, 2; Joh. 10:28; Ef. 4:8; Opb. 12:5.

Vraag 52: Welke troost schenkt u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?
Antwoord: Dat ik in alle droefheid en vervolging met opgeheven hoofd juist Hem als Rechter uit de hemel verwacht, die Zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft1.
Hij zal dan al zijn en mijn vijanden aan de eeuwige ondergang overgeven2, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid3.
1 Luc. 21:28; Rom. 8:23, 24; Fil. 3:20; 1Tes. 4:16; Tit. 2:13. 2 Mat. 25:41-43; 2Tes. 1:6, 8, 9. 3 Mat. 25:34-36; 2Tes. 1:7, 10.


GOD DE HEILIGE GEEST EN ONZE HEILIGING

Zondag 20

Vraag 53: Wat gelooft u van de Heilige Geest?
Antwoord: Ten eerste dat Hij samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is1.
Ten tweede dat Hij ook mij gegeven is2, om mij door waar geloof aan Christus en al zijn weldaden deel te geven3, mij te troosten4 en eeuwig bij mij te blijven5.
1 Gen. 1:2; Hand. 5:3, 4; 1Kor. 2:10; 3:16; 6:19. 2 Mat. 28:19; 2Kor. 1:21, 22; Gal. 3:14; 4:6; Ef. 1:13. 3 Joh. 16:14; 1Kor. 2:12; 1Pet. 1:2. 4 Joh. 15:26; Hand. 9:31. 5 Joh. 14:16, 17; 1Pet. 4:14.
zondag 1-10 - zondag 11-20 - zondag 21-30 - zondag 31-40 - zondag 41-52

 

 


naar boven naar boven