Kerkdiensten

te Zwolle

Zondag 17 december 2017
10.00 - Br. R.B. Sikkens
16.30 - Ds. S. de Marie - H.C. Zondag 10
1e collecte: Kerk
2e collecte: Steun hulpbehoevende studenten
Meer kerkdiensten


Locatie

Kerkgebouw
"De Hoeksteen"
Scheldelaan 141
8032 PB Zwolle
Bekijk kaart

Heidelbergse Catechismus

Onderwijs in de christelijke leer

zondag 1-10 - zondag 11-20 - zondag 21-30 - zondag 31-40 - zondag 41-52

 

 



Zondagen 21-30
zondag 21, zondag 22, zondag 23, zondag 24, zondag 25, zondag 26, zondag 27, zondag 28, zondag 29, zondag 30

Zondag 21

Vraag 54: Wat gelooft u van de heilige, algemene, christelijke kerk?
Antwoord: Dat de Zoon van God1 uit het hele menselijke geslacht2 Zich een gemeente3, die tot het eeuwige leven uitverkoren is4, van het begin van de wereld tot aan het einde5 vergadert, beschermt en onderhoudt6. Hij doet dit door zijn Geest en Woord7 in eenheid van het ware geloof8.
En ik geloof dat ik van deze gemeente een levend lid ben9 en eeuwig zal blijven10.
1 Joh. 10:11; Ef. 4:11-13; 5:25, 26. 2 Gen. 26:4; Jes. 49:6; Rom. 10:12, 13; Opb. 5:9. 3 Ps. 111:1; Hand. 20:28; Heb. 12:22, 23. 4 Rom. 8:29, 30; Ef. 1:10-14; 1Pet. 2:9. 5 Ps. 71:17, 18; Jes. 59:21; 1Kor. 11:26. 6 Ps. 129:4, 5; Mat. 16:18; Joh. 10:16, 28. 7 Jes. 59:21; Rom. 1:16; 10:14-17; Ef. 5:26. 8 Joh. 17:21; Hand. 2:42; Ef. 4:3-6; 1Tim. 3:15. 9 Rom. 8:10; 1Joh. 3:14, 19-21. 10 Ps. 23:6; Joh. 10:28; Rom. 8:35-39; 1Kor. 1:8,9; 1Pet. 1:5; 1Joh. 2:19.

Vraag 55: Wat verstaat u onder de gemeenschap der heiligen?
Antwoord: Ten eerste dat de gelovigen allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap hebben met de Here Christus en deel hebben aan al zijn schatten en gaven1.
Ten tweede dat ieder verplicht is zijn gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde te gebruiken2.
1 Rom. 8:32; 1Kor. 6:17; 12:12, 13; 1Joh. 1:3. 2 1Kor. 12:21; 13:1-7; Fil. 2:2-5.

Vraag 56: Wat belijdt u met de woorden: vergeving van de zonden?
Antwoord: Omdat Christus voldaan heeft, wil God nooit meer denken aan al mijn zonden1, ook niet aan mijn zondige aard2, waartegen ik mijn leven lang moet strijden. Maar God schenkt mij uit genade de gerechtigheid van Christus3, zodat ik nooit meer door Hem veroordeeld word4.
1 Ps. 103:3, 10, 12; Jer. 31:34; Micha 7:19; 2Kor. 5:19. 2 Rom. 7:23-25. 3 2Kor. 5:21; 1Joh. 1:7; 2:1, 2. 4 Joh. 3:18; 5:24.


Zondag 22

Vraag 57: Welke troost geeft u de opstanding van het vlees?
Antwoord: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot haar Hoofd Christus opgenomen zal worden1, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt, weer met mijn ziel verenigd en aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zal worden2.
1 Luc. 16:22; 20:37, 38; 23:43; Fil. 1:21, 23; Opb. 14:13. 2 Job 19:25-27; 1Kor. 15:53, 54; Fil. 3:21; 1Joh. 3:2.

Vraag 58: Welke troost put u uit het artikel over het eeuwige leven?
Antwoord: Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel1, zal ik ook na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart is opgekomen, en wel om God daarin eeuwig te prijzen2.
1 Joh. 17:3; 2Kor. 5:2, 3. 2 Joh. 17:24; 1Kor. 2:9.


DE RECHTVAARDIGING

Zondag 23

Vraag 59: Wat hebt u er nu aan, dat u dit alles gelooft?
Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven1.
1 Hab. 2:4; Joh. 3:36; Rom. 1:17.

Vraag 60: Hoe bent u rechtvaardig voor God?
Antwoord: Alleen door waar geloof in Jezus Christus1.
Al klaagt mijn geweten mij aan, dat ik tegen alle geboden van God zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb en dat ik nog altijd uit ben op elk kwaad2, toch schenkt God mij, zonder enige verdienste van mijn kant, alleen uit genade3, de volkomen voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus4. Hij rekent mij die toe5, alsof ik nooit zonde had gehad of gedaan, ja, alsof ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht had die Christus voor mij volbracht heeft6.
Aan deze weldaad heb ik alleen deel, als ik die met een gelovig hart aanneem7.
1 Rom. 3:21-26; 5:1, 2; Gal. 2:16; Ef. 2:8, 9; Fil. 3:9. 2 Rom. 3:9; 7:23. 3 Deut. 9:6; Ezech. 36:22; Rom. 3:24; 7:23-25; Ef. 2:8; Tit. 3:5. 4 1Joh. 2:1, 2. 5 Rom. 4:4-8; 2Kor. 5:19. 6 2Kor. 5:21. 7 Joh. 3:18; Rom 3:22.

Vraag 61: Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent?
Antwoord: Niet omdat ik door de waarde van mijn geloof voor God aangenaam ben. Maar alleen de voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus is mijn gerechtigheid voor God1. En alleen door het geloof kan ik die aannemen en tot mijn eigendom maken2.
1 1Kor. 1:30; 2:2. 2 1Joh. 5:10.


Zondag 24

Vraag 62: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn?
Antwoord: Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn1, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn2.
1 Deut. 27:26; Gal. 3:10. 2 Jes. 64:6.

Vraag 63: Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen?
Antwoord: Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven1.
1 Luc. 17:10.

Vraag 64: Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos?
Antwoord: Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort1.
1 Mat. 7:18; Joh. 15:5.



WOORD EN SACRAMENTEN

Zondag 25


Vraag 65: Nu alleen het geloof ons aan Christus en aan al zijn weldaden deel geeft, waar komt dit geloof vandaan?
Antwoord: Van de Heilige Geest1, die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie2 en het versterkt door het gebruik van de sacramenten3.
1 Joh. 3:5; 1Kor. 2:12; 12:3; Ef. 1:17, 18; 2:8; Fil. 1:29. 2 Hand. 16:14; Rom. 10:17; 1Pet. 1:23. 3 Mat. 28:19.

Vraag 66: Wat zijn sacramenten?
Antwoord: Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen.
Deze belofte houdt in dat Hij ons om het enige offer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving van zonden en eeuwig leven uit genade schenkt1.
1 Gen. 17:11; Lev. 6:25; Deut. 30:6; Jes. 6:6, 7; 54:9; Ezech. 20:12; Rom. 4:11; Heb. 9:7, 9; 9:24.

Vraag 67: Hebben het woord en de sacramenten beide als doel ons geloof te wijzen op het offer van Jezus Christus aan het kruis, als de enige grond van ons heil1?
Antwoord: Ja, want de Heilige Geest leert ons in het evangelie en bevestigt ons door de sacramenten, dat ons volkomen heil rust in het enige offer van Christus, dat voor ons aan het kruis gebracht is.
1 Rom. 6:3; Gal. 3:27.

Vraag 68: Hoeveel sacramenten heeft Christus in het nieuwe verbond ingesteld?
Antwoord: Twee, namelijk de heilige doop en het heilig avondmaal.


DE HEILIGE DOOP

Zondag 26

Vraag 69: Hoe wordt u in de heilige doop onderwezen en ervan verzekerd, dat het enige offer van Christus aan het kruis u ten goede komt?
Antwoord: Christus heeft het waterbad van de doop ingesteld1 en daarbij beloofd, dat ik met zijn bloed en Geest van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben2. Dit is even zeker als ik gewassen ben met het water, dat de onreinheid van het lichaam wegneemt.
1 Mat. 28:19. 2 Mat. 3:11; Mar. 1:4; 16:16; Luc. 3:3; Joh. 1:33; Hand. 2:38; Rom. 6:3, 4; 1Pet. 3:21.

Vraag 70: Wat betekent dat: met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn?
Antwoord: Dat wij van God vergeving van de zonden hebben uit genade, om het bloed van Christus, dat Hij in zijn offer aan het kruis voor ons vergoten heeft1.
Verder ook, dat wij door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd zijn, zodat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend en onberispelijk leven2.
1 Ezech. 36:25; Zach. 13:1; Heb. 12:24; 1Pet. 1:2; Opb. 1:5; 7:14. 2 Ezech. 36:26, 27; Joh. 1:33; 3:5; Rom. 6:4; 1Kor. 6:11; 12:13; Kol. 2:11, 12.

Vraag 71: Waar heeft Christus ons beloofd dat Hij ons even zeker met zijn bloed en Geest wassen wil, als wij met het doopwater gewassen worden?
Antwoord: In de instelling van de doop, die zo luidt: Gaat dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Matteüs 28:19.
En:Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden, Marcus 16:16.
Deze belofte wordt herhaald waar de Schrift de doop het bad van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden noemt, Titus 3:5; Handelingen 22:16.


Zondag 27

Vraag 72: Is dat waterbad dan de afwassing van de zonden zelf?
Antwoord: Nee1, want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigen ons van alle zonden2.
1 Mat. 3:11; Ef. 5:26; 1Pet. 3:21. 2 1Kor. 6:11; 1Joh. 1:7.

Vraag 73: Waarom noemt de Heilige Geest de doop dan het bad van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden?
Antwoord: God zegt dat niet zonder dringende reden.
Want Hij wil ons daarmee leren, dat onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden, evenals de onreinheid van het lichaam door het water1.
Maar vooral wil Hij ons door dit goddelijk pand en teken ervan verzekeren, dat wij even werkelijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als ons lichaam met het water gewassen wordt2.
1 1Kor. 6:11; Opb. 1:5; Opb. 7:14. 2 Mar. 16:16; Gal. 3:27.

Vraag 74: Moeten ook de kleine kinderen gedoopt worden?
Antwoord: Ja, want de kinderen horen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente1.
Ook worden aan hen evenals aan de volwassenen, door het bloed van Christus, de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd2.
Daarom moeten zij door de doop, als teken van het verbond, bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden3. In het oude verbond gebeurde dat door de besnijdenis4; in het nieuwe verbond is in plaats daarvan de doop ingesteld5.
1 Gen. 17:7. 2 Ps. 22:11; Jes. 44:1-3; Mat. 19:14; Hand. 2:39. 3 Hand. 10:47. 4 Gen. 17:14. 5 Kol. 2:11, 12.


HET HEILIG AVONDMAAL

Zondag 28

Vraag 75: Hoe wordt u in het heilig avondmaal onderwezen en ervan verzekerd, dat u aan het enige offer van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al zijn schatten deel hebt?
Antwoord: Christus heeft mij en alle gelovigen een bevel en daarbij ook een belofte gegeven.
Hij heeft bevolen tot zijn gedachtenis van dit gebroken brood te eten en uit deze beker te drinken.
Hij heeft daaarbij ten eerste belooft, dat zijn lichaam voor mij aan het kruis geofferd en zijn bloed voor mij vergoten is. Dit is even zeker als ik met de ogen zie dat het brood des Heren voor mij gebroken en de beker mij gegeven wordt.
Ten tweede heeft Hij beloofd, dat Hij zelf mijn ziel met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven voedt en verkwikt. Dit is even zeker als ik het brood en de wijn, als betrouwbare tekenen van Christus' lichaam en bloed, uit de hand van de dienaar ontvang en met de mond geniet1.
1 Mat. 26:26-28; Mar. 14:22-24; Luc. 22:19, 20; 1Kor. 10:16, 17; 11:23-25.

Vraag 76: Wat betekent dat: het gekruisigd lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken?
Antwoord: Dat wij met een gelovig hart heel het lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving van zonden en eeuwig leven verkrijgen1.
Verder ook, dat wij door de Heilige Geest, die tegelijk in Christus en in ons woont, steeds meer met zijn heilig lichaam verenigd worden2, en wel zo, dat wij, hoewel Christus in de hemel is3 en wij op aarde zijn, toch vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente zijn4; en ook zo, dat wij door één Geest eeuwig leven en geregeerd worden, zoals de leden van het lichaam door één ziel5.
1 Joh. 6:35, 40, 47-54. 2 Joh. 6:55, 56. 3 Hand. 1:9, 11; 3:21; 1Kor. 11:26; Kol. 3:1. 4 Joh. 14:23; 1Kor. 6:15, 17, 19; Ef. 3:16, 17; 5:29, 30; 1Joh. 3:24; 4:13. 5 Joh. 6:57; 15:1-6; Ef. 4:15, 16.

Vraag 77: Waar heeft Christus beloofd dat Hij de gelovigen even zeker met zijn lichaam en bloed wil voeden en verkwikken, als zij van dit gebroken brood eten en uit deze beker drinken?
Antwoord: In de instelling van het avondmaal, die zo luidt1:
In de nacht waarin Hij werd overgeleverd, nam de Here Jezus een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en zei: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zei: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt, 1 Korintiërs 11:23-26.
Deze belofte wordt herhaald door de apostel Paulus, als hij zegt:
Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood, 1 Korintiërs 10:16, 17.
1 Mat. 26:26-28; Mar. 14:22-24; Luc. 22:19, 20.


Zondag 29

Vraag 78: Worden dan brood en wijn veranderd in het eigen lichaam en bloed van Christus?
Antwoord: Nee1, het is bij het avondmaal net als bij de doop.
Bij de doop wordt het water niet veranderd in het bloed van Christus en de doop is ook niet de afwassing van de zonden zelf, maar alleen een door God gegeven teken en waarborg ervan2.
Zo wordt ook het brood bij het avondmaal niet veranderd in het eigen lichaam van Christus3. Maar het brood wordt het lichaam van Christus genoemd, overeenkomstig de aard van de sacramenten en de manier waarop de Heilige Geest hierover spreekt4.
1 Mat. 26:29. 2 Ef. 5:26; Tit. 3:5. 3 1Kor. 10:16; 11:26. 4 Gen. 17:10, 11; Ex. 12:11, 13; 12:26, 27; 13:9; 24:8; Hand. 22:16; 1Kor. 10:1-4; 1Pet. 3:21.

Vraag 79: Waarom noemt Christus dan het brood zijn lichaam, en de beker zijn bloed, of het nieuwe verbond in zijn bloed, en spreekt Paulus van een gemeenschap met het lichaaam en het bloed van Christus?
Antwoord: Christus zegt dat niet zonder dringende reden.
Want Hij wil ons daarmee leren, dat zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed de echte spijs en drank zijn, waardoor onze ziel tot het eeuwige leven gevoed wordt, evenals brood en wijn ons tijdelijk leven onderhouden1.
Maar vooral wil Hij ons door deze zichtbare tekenen en panden ervan verzekeren:
ten eerste dat wij door de werking van de Heilige Geest even werkelijk deel krijgen aan zijn echte lichaam en bloed, als wij deze heilige tekenen met de lichamelijke mond tot zijn gedachtenis ontvangen2;
ten tweede dat heel zijn lijden en gehoorzaamheid zo zeker ons deel zijn, alsof wij in eigen persoon voor onze zonden alles geleden en onze schuld aan God voldaan hadden.
1 Joh. 6:51, 53-55. 2 1Kor. 10:16.


Zondag 30

Vraag 80: Wat is het verschil tussen het avondmaal van de Here en de pauselijke mis?
Antwoord: Het avondmaal van de Here verzekert ons ervan:
ten eerste dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door het enige offer van Jezus Christus, dat Hij zelf éénmaal aan het kruis heeft volbracht1;
ten tweede dat wij door de Heilige Geest ingelijfd2 worden bij Christus, die nu naar zijn menselijke natuur niet op de aarde is, maar in de hemel aan de rechterhand van God zijn Vader3 en dáár door ons wil worden aangebeden4.
Maar de mis leert:
ten eerste dat de levenden en de doden alleen dan door het lijden van Christus vergeving van zonden hebben, indien Christus nog dagelijks door de priesters in de mis voor hen geofferd wordt;
ten tweede dat Christus lichamelijk in de gedaante van brood en wijn aanwezig is en daarom ook in die gedaante aangebeden moet worden.
De mis is dus in de grond van de zaak niet anders dan een verloochening van het enige offer en lijden van Jezus Christus en een vervloekte afgoderij5.
1 Mat. 26:28; Luc. 22:19, 20; Joh. 19:30; Heb. 7:26, 27; 9:12, 25-28; 10:10, 12, 14. 2 1Kor. 6:17; 10:16, 17. 3 Joh. 20:17; Kol. 3:1; Heb. 1:3; 8:1, 2. 4 Hand. 7:55, 56; Fil. 3:20; Kol. 3:1; 1Tes. 1:10. 5 Heb. 9:26; 10:12, 14.

Vraag 81: Voor wie is het avondmaal van de Here ingesteld?
Antwoord: Voor hen die om hun zonden een afkeer van zichzelf hebben en toch vertrouwen dat deze hun om Christus' wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid door zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun leven te beteren.
Maar de huichelaars en zij die zich niet van harte tot God bekeren, halen door hun eten en drinken een oordeel over zich1.
1 1Kor. 10:19-22; 11:28, 29.

Vraag 82: Mag men ook hen tot dit avondmaal toelaten die zich door hun belijdenis en leven als ongelovigen en goddelozen doen kennen?
Antwoord: Nee, want op deze wijze wordt Gods verbond ontheiligd en zijn toorn over de gehele gemeente opgewekt1.

Daarom is de christelijke kerk verplicht volgens het bevel van Christus en van zijn apostelen allen die zich als ongelovigen en goddelozen doen kennen, door de sleutels van het koninkrijk der hemelen buiten te sluiten, totdat zij hun leven beteren.
1 Ps. 50:16; Jes. 1:11-15; 66:3; Jer. 7:21-23; 1Kor. 11:20, 34.

 

 


naar boven naar boven