Heidelbergse Catechismus

Onderwijs in de christelijke leer

zondag 1-10 - zondag 11-20 - zondag 21-30 - zondag 31-40 - zondag 41-52



Zondagen 31-40
zondag 31, zondag 32, zondag 33, zondag 34, zondag 35, zondag 36, zondag 37 zondag 38, zondag 39, zondag 40

Zondag 31


Vraag 83: Wat zijn de sleutels van het koninkrijk der hemelen?
Antwoord: De verkondiging van het heilig evangelie en de kerkelijke tucht.
Door beide wordt het koninkrijk der hemelen voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten1.
1 Mat. 16:18, 19; 18:15-18.

Vraag 84: Hoe wordt het koninkrijk der hemelen door de verkondiging van het heilig evangelie geopend en gesloten?
Antwoord: Volgens het bevel van Christus wordt aan de gelovigen, allen samen en ieder persoonlijk, verkondigd en in het openbaar verklaard, dat al hun zonden hun door God om de verdienste van Christus werkelijk vergeven zijn, zo vaak zij de belofte van het evangelie met waar geloof aannemen.
Maar aan alle ongelovigen en huichelaars wordt verkondigd en verklaard, dat de toorn van God en het eeuwig oordeel op hen rusten, zolang zij zich niet bekeren1.
Naar dit getuigenis van het evangelie zal God oordelen, zowel in dit als in het toekomstige leven.
1 Mat. 16:19; Joh. 20:21-23.

Vraag 85: Hoe wordt het koninkrijk der hemelen gesloten en geopend door de kerkelijke tucht?
Antwoord: Volgens het bevel van Christus worden zij die onder de naam van christen zich in leer of leven onchristelijk gedragen, eerst bij herhaling broederlijk vermaand.
Wanneer zij toch in hun dwalingen of schandelijk leven volharden, worden zij aangeklaagd bij de gemeente of bij hen die door de gemeente daarvoor aangewezen zijn.
Wanneer zij zich ook aan hun vermaning niet storen, worden zij niet langer tot de sacramenten toegelaten en zo uit de christelijke gemeente en door God zelf buiten het rijk van Christus gesloten.
Zij worden weer als leden van Christus en van zijn gemeente aangenomen, wanneer zij werkelijk beterschap beloven en bewijzen1.
1 Mat. 18:15-18; 1Kor. 5:3-5, 11; 2Kor. 2:6-8; 2Tes. 3:14, 15; 1Tim. 5:17; 2Joh. 1:10, 11.

HET DERDE DEEL
Onze dankbaarheid


Zondag 32

Vraag 86: Nu wij uit onze ellende, zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit genade door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?
Antwoord: Omdat Christus ons niet alleen met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, maar ons ook door zijn Heilige Geest vernieuwt tot zijn beeld, opdat wij met ons hele leven tonen, dat wij God dankbaar zijn voor zijn weldaden1 en opdat Hij door ons geprezen wordt2.
Vervolgens om zelf uit de vruchten zeker te zijn van ons geloof3 en om door onze godvrezende levenswandel ook onze naasten voor Christus te winnen4.
1 Rom. 6:13; 12:1, 2; 1Kor. 6:20; 1Pet. 2:5, 9. 2 Mat. 5:16; 1Pet. 2:12. 3 Mat. 7:17, 18; Gal. 5:6, 22; 2Pet. 1:10. 4 Mat. 5:16; Rom. 14:18, 19; 1Pet. 3:1, 2.

Vraag 87: Kunnen zij dan behouden worden, die in hun goddeloos en ondankbaar leven voortgaan en zich niet tot God bekeren?
Antwoord: Beslist niet, want de Schrift zegt dat een onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, oplichter, of een dergelijke zondaar, het koninkrijk van God niet beërven zal1.
1 1Kor. 6:9, 10; Ef. 5:5, 6; 1Joh. 3:14, 15.


Zondag 33

Vraag 88: Waarin bestaat de ware bekering van de mens?
Antwoord: In het afsterven van de oude en het opstaan van de nieuwe mens1.
1 Rom. 6:4-6; 1Kor. 5:7; 2Kor. 7:10; Ef. 4:22-24; Kol. 3:5-10.

Vraag 89: Wat is het afsterven van de oude mens?
Antwoord: Oprechte droefheid, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. En ook dat wij deze zonden hoe langer hoe meer haten en ontvluchten1.
1 Joël 2:13; Rom. 8:13.

Vraag 90: Wat is het opstaan van de nieuwe mens?
Antwoord: Hartelijke vreugde in God door Christus1 en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven2.
1 Jes. 57:15; Rom. 5:1, 2; 14:17. 2 Rom. 6:10, 11; Gal. 2:19, 20.

Vraag 91: Maar wat zijn goede werken?
Antwoord: Alleen die uit waar geloof1, naar de wet van God2 en tot zijn eer3 gedaan worden, maar niet die op onze eigen mening of op geboden van mensen gegrond zijn4.
1 Rom. 14:23. 2 Lev. 18:4; 1Sam. 15:22; Ef. 2:10. 3 1Kor. 10:31. 4 Jes. 29:13, 14; Ezech. 20:18, 19; Mat. 15:7-9.


DE WET

Zondag 34

Vraag 92: Hoe luidt de wet van de Here?
Antwoord: God sprak al deze woorden, Exodus 20:2-17, Deuteronomium 5:6-21:
Ik ben de Here uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.
Eerste gebod:
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
Tweede gebod:
Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
Derde gebod:
Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken, want de Here zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt.
Vierde gebod:
Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die.
Vijfde gebod:
Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geven zal.
Zesde gebod:
Gij zult niet doodslaan.
Zevende gebod:
Gij zult niet echtbreken.
Achtste gebod:
Gij zult niet stelen.
Negende gebod:
Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Tiende gebod:
Gij zult niet begeren het huis van uw naaste; gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.

Vraag 93: Hoe worden deze tien geboden ingedeeld?
Antwoord: In twee tafelen1.
Het eerste leert hoe wij ons tegenover God moeten gedragen; de tweede wat wij aan onze naaste verplicht zijn2.
1 Ex. 31:18; Deut. 4:13; 10:3, 4. 2 Mat. 22:37-40.

Vraag 94: Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Antwoord: Ten eerste dat ik, als mijn heil mij lief is, alle afgoderij1, tovenarij, waarzeggerij, bijgeloof2, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen3 vermijd en ontvlucht.
Ten tweede dat ik de enige ware God naar waarheid leer kennen4, Hem alleen vertrouw5, met alle ootmoed6 en geduld mij aan Hem alleen onderwerp7, al het goede van Hem alleen verwacht8, Hem met heel mijn hart liefheb9, vrees10 en eer11, en wel zo, dat ik eerder alle schepselen prijsgeef, dan dat ik het minste of geringste tegen zijn wil zou doen12.
1 1Kor. 6:10; 10:7, 14; 1Joh. 5:21. 2 Lev. 19:31; Deut. 18:9-12. 3 Mat. 4:10; Opb. 19:10; 22:8, 9. 4 Joh. 17:3. 5 Jer. 17:5, 7. 6 1Pet. 5:5. 7 Rom. 5:3-5; 1Kor. 10:10; Fil. 2:14; Kol. 1:11; Heb. 10:36. 8 Ps. 104:27-30; Jes. 45:7; Jak. 1:17. 9 Deut. 6:5; Mat. 22:37, 38. 10 Deut. 6:2; Ps. 111:10; Spr. 1:7; 9:10; Mat. 10:28. 11 Deut. 10:20; Mat. 4:10. 12 Mat. 5:29, 30; 10:37-39; Hand. 5:29.

Vraag 95: Wat is afgoderij?
Antwoord: Afgoderij is in plaats van de enige ware God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt1.
1 1Kron. 16:26; Jes. 44:16, 17; Joh. 5:23; Gal. 4:8; Ef. 2:12; 5:5; Fil. 3:19; 1Joh. 2:23; 2Joh. :9.


Zondag 35

Vraag 96: Wat eist God in het tweede gebod?
Antwoord: Dat wij God op geen enkele manier afbeelden1 en Hem op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft2.
1 Deut. 4:15, 16; Jes. 40:18, 19, 25; Hand. 17:29; Rom. 1:23-25. 2 Deut. 12:30-32; 1Sam. 15:23; Mat. 15:9.

Vraag 97: Mag men dan helemaal geen beelden maken?
Antwoord: God kan en mag op geen enkele manier afgebeeld worden. De schepselen mogen wel afgebeeld worden, maar God verbiedt dat wij een afbeelding van hen maken of hebben om die te vereren of God daardoor te dienen1.
1 Ex. 34:13, 14, 17; Deut. 12:3, 4; 16:22; 2Kon. 18:4; Jes. 40:25.

Vraag 98: Maar zou men de beelden als ‘boeken der leken’ in de kerken mogen toelaten?
Antwoord: Nee, want wij moeten niet wijzer zijn dan God, die zijn christenen niet door stomme beelden1, maar door de levende verkondiging van zijn Woord wil laten onderwijzen2.
1 Jer. 10:5, 8; Hab. 2:18, 19. 2 Rom. 10:14-17; 2Tim. 3:16, 17; 2Petr. 1:19.


Zondag 36

Vraag 99:
Wat eist God in het derde gebod?
Antwoord: Dat wij Gods naam niet lasteren of misbruiken door vloeken1 of door een valse eed2 en evenmin door onnodig zweren3.
Verder dat wij ons ook niet door zwijgen of toelaten aan zulke gruwelijke zonden mee schuldig maken4.
Kortom, dat wij de heilige naam van God alleen met ontzag en eerbied gebruiken5, zodat Hij door ons naar waarheid beleden6 en aangeroepen7 en in al onze woorden en werken geprezen wordt8.
1 Lev. 24:15, 16. 2 Lev. 19:12. 3 Mat. 5:37; Jak. 5:12. 4 Lev. 5:1; Spr. 29:24. 5 Jes. 45:23; Jer. 4:2. 6 Mat. 10:32; Rom. 10:9, 10. 7 Ps. 50:15; 1Tim. 2:8. 8 Rom. 2:24; Kol. 3:17; 1Tim. 6:1.

Vraag 100: Is het lasteren van Gods naam door zweren en vloeken dan zo’n grote zonde, dat God ook toornt tegen hen die het vloeken en zweren niet zoveel mogelijk helpen tegengaan en verbieden?
Antwoord: Ja zeker, want geen zonde is groter en wekt Gods toorn meer op dan het lasteren van zijn naam. Daarom heeft Hij op deze zonde de doodstraf gesteld1.
1 Lev. 24:16; Ef. 5:11.


Zondag 37

Vraag 101: Maar kan men ook godvrezend bij de naam van God zweren?
Antwoord: Ja, wanneer de overheid het van haar onderdanen eist of in geval van nood, om daardoor trouw en waarheid te bekrachtigen, en dat tot eer van God en tot heil van de naaste.
Want zo\'n eed is op Gods Woord gegrond1 en werd daarom door de heiligen in het oude en nieuwe verbond terecht gebruikt2.
1 Deut. 6:13; 10:20; Heb. 6:16. 2 Gen. 21:24; 31:53; 1Sam. 24:22, 23; 1Kon. 1:29, 30; Rom. 1:9; 9:1; 2Kor. 1:23.

Vraag 102: Mag men ook bij de heiligen of andere schepselen zweren?
Antwoord: Nee, want rechtmatig zweren is God aanroepen, of Hij, die als enige het hart kent, voor de waarheid wil getuigen en mij wil straffen, indien ik vals zweer1. Deze eer komt aan geen schepsel toe2.
1 Rom. 9:1; 2Kor. 1:23. 2 Mat. 5:34-36; Jak. 5:12.


Zondag 38

Vraag 103: Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Antwoord: Ten eerste dat gezorgd wordt voor het in stand houden van de dienst des Woords en van de scholen1, en dat ik vooral op de sabbat, dat is op de rustdag, trouw tot Gods gemeente zal komen2 om Gods Woord te horen3, de sacramenten te gebruiken4, God de Here publiek aan te roepen5 en de armen christelijke barmhartigheid te bewijzen6.
Ten tweede dat ik al de dagen van mijn leven mijn slechte werken nalaat, de Here door zijn Geest in mij laat werken, en zo de eeuwige sabbat in dit leven begin7.
1 1Kor. 9:13, 14; 1Tim. 3:15; 2Tim. 2:2; 3:14, 15; Tit. 1:5. 2 Lev. 23:3; Ps. 40:10, 11; Ps. 122:1; Hand. 2:42, 46. 3 1Kor. 14:1, 3; 1Tim. 4:13; Opb. 1:3. 4 Hand. 20:7; 1Kor. 11:23. 5 1Kor. 14:16; 1Tim. 2:1-4. 6 Deut. 15:11; 1Kor. 16:1, 2; 1Tim. 5:16. 7 Heb. 4:9, 10.


Zondag 39

Vraag 104: Wat eist God in het vijfde gebod?
Antwoord: Dat ik aan mijn vader en moeder en aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste gehoorzaamheid onderwerp1 en ook met hun zwakheid en gebreken geduld heb2, omdat God ons door hun hand wil regeren3.
1 Ex. 21:17; Spr. 1:8; 4:1; Rom. 13:1; Ef. 5:22; 6:1, 2, 5; Kol. 3:18, 20, 22. 2 Spr. 23:22; 1Pet. 2:18. 3 Mat. 22:21; Rom. 13:2, 4; Ef. 6:4; Kol. 3:20.


Zondag 40

Vraag 105: Wat eist God in het zesde gebod?
Antwoord: Dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood1. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen2.
Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen of moedwillig in gevaar begeven3.
De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren4.
1 Gen. 9:6; Mat. 5:21, 22; 26:52. 2 Mat. 5:25; 18:35; Rom. 12:19; Ef. 4:26. 3 Mat. 4:7; Kol. 2:23. 4 Gen. 9:6; Ex. 21:14; Rom. 13:4.

Vraag 106: Het gaat dus in dit gebod niet alleen om doodslag?
Antwoord: Nee. Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst1, haat2, toorn3 en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is4.
1 Ps. 37:8; Spr. 14:30; Rom. 1:29. 2 1Joh. 2:9-11. 3 Jak. 1:20; Gal. 5:19-21. 4 1Joh. 3:15.

Vraag 107: Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoals gezegd, niet doden?
Antwoord: Nee, want terwijl God afgunst, haat en toorn verbiedt, gebiedt Hij dat wij onze naaste liefhebben als onszelf1, jegens hem geduldig, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn2, zijn schade zoveel mogelijk voorkomen3 en dat wij ook onze vijanden goed doen4.
1 Mat. 7:12; 22:39; Rom. 12:10. 2 Mat. 5:5, 7; Luc. 6:36; Rom. 12:18; Gal. 6:1, 2; Ef. 4:1-3; Kol. 3:12; 1Pet. 3:8. 3 Ex. 23:5. 4 Mat. 5:44, 45; Rom. 12:20, 21.